Afwijzing stakingsverbod in kort geding

Het bedrijf vordert een verbod op staking door FNV-leden omdat volgens de directie de onderhandelingen over een nieuwe cao nog niet zijn afgerond. Bij de beoordeling van deze zaak betrekt de voorzieningenrechter de stakingsrechtspraak van de Hoge Raad.
Of sprake is van een collectieve actie in de zin van het Europees Sociaal Handvest (ESH) wordt vooral bepaald door het antwoord op de vraag of een actie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Het is aan de organisatoren van een collectieve actie om aannemelijk te maken dat dit het geval is. Als zij daarin slagen, valt de collectieve actie onder het ESH. De uitoefening van het recht op collectief optreden kan dan slechts worden beperkt langs de weg van artikel G ESH, overeenkomstig hetgeen op dat punt is aanvaard in de rechtspraak van de Hoge Raad. Of een collectieve actie van werknemers tijdig tevoren aan de werkgever is aangezegd en of de collectieve actie voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (de zogenaamde ‘spelregel’-toetsing), vormt geen zelfstandige maatstaf om te beoordelen of een collectieve actie rechtmatig is. De naleving van die ‘spelregels’ is dus geen zelfstandige voorwaarde voor die rechtmatigheid.
De voorzieningenrechter is het niet het bedijf eens dat het cao-overleg nog volop gaande is en FNV daarom te vroeg naar het stakingswapen grijpt. Dat er volgens het bedrijf nog geen sprake is van een ‘eindbod’ harerzijds, betekent niet dat de acties niet als ‘ultimum remedium’ kunnen worden beschouwd: de acties hebben ten doel om haar ertoe te bewegen op korte termijn een nieuwe cao af te sluiten.
Bron: Rb. Midden-Nederland (vzr. Utrecht) 24-01-2019 (gepubl. 2-04-2019)

Bestuurder aansprakelijk bij grove schuld vennootschap

Een bestuurder diende in 2011 namens zijn vennootschap uitsluitend nihilaangiften omzetbelasting in. In juni 2012 meldde hij schriftelijk de betalingsonmacht van zijn vennootschap aan de Belastingdienst. In juli 2013 diende de vennootschap een suppletieaangifte omzetbelasting over 2011 in, waarna de fiscus de bestuurder aansprakelijk stelde voor de omzetbelastingschuld.
De rechtbank vond dat de inspecteur had voldaan aan zijn bewijslast dat er sprake was van grove schuld. De bestuurder was aansprakelijk gesteld voor de omzetbelasting over de maand december 2011. De vennootschap had in deze maand één factuur uitgereikt, met daarop een bedrag van € 25.000. Omdat dit zowel in relatieve als in absolute zin een behoorlijk bedrag was, vond de rechtbank dat de bestuurder dit bedrag niet over het hoofd kon hebben gezien. Er was dan ook sprake van grove schuld en hierdoor kon geen sprake zijn van een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht. Daarom oordeelde de rechtbank dat de bestuurder terecht aansprakelijk was gesteld.
Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant, 20-12-2018 (gepubl. 3-4-2019)

Maak het ondernemers makkelijker

In het actieprogramma Maatwerkaanpak Winkelambacht 2.0 zijn twaalf knelpunten benoemd met suggesties voor oplossingen die de komende periode samen met diverse betrokken ministeries worden uitgewerkt. Dit gaat onder andere over arbeidsomstandigheden, voedselhygiëne en onderwijs. De commissie, die in haar adviezen samenwerkt met MKB-Nederland, beveelt aan om een volgende stap te zetten in het gebruiksvriendelijker maken van digitale RI&E tools. Of door deze in te voeren in sectoren waar dit nog op papier wordt gedaan of door de bestaande digitale tools opnieuw te beoordelen op gebruiksgemak. Het uitgangspunt is de vereiste tijd te minimaliseren die ondernemers nodig hebben bij het invullen hiervan.
Bron: Min. SZW en MKB Nederland, 4-4-2019

Uitsluitingsclausule geldt ook bij storting op gemeenschappelijke rekening

Een man en een vrouw trouwden in 1985 in gemeenschap van goederen. Vervolgens ontving de vrouw in 2002, 2004 en 2006 schenkingen van steeds € 10.000. Hierbij was telkens sprake van schenking onder de uitsluitingsclausule. De vrouw stortte de ontvangen bedragen op de gemeenschappelijk rekening van haar echtgenoot en haarzelf. Toen het echtpaar in 2014 uit elkaar ging, maakte de vrouw onder meer aanspraak op de ontvangen € 30.000.
De Hoge Raad oordeelde dat de vrouw inderdaad recht had op de ontvangen schenkingen van in totaal € 30.000. Zij had de ontvangen bedragen weliswaar overgeboekt naar de gemeenschappelijke bankrekening, maar kreeg hierbij een vorderingsrecht op de gemeenschap. Volgens de Hoge Raad blijft zo’n recht in stand als het echtpaar gemeenschapsvermogen besteedt aan gemeenschapsschulden. Wel moeten eventuele privéschulden van de vrouw die worden afgelost met gemeenschapsvermogen, worden verrekend met haar vordering op de huwelijksgemeenschap. Maar hierbij geldt dat schulden die tijdens de periode van de huwelijkse gemeenschap worden afgelost, in beginsel als gemeenschapsschulden worden beschouwt, tenzij de echtgenoot – in dit geval de man – aannemelijk maakt dat een specifieke afgeloste schuld – van in dit geval de vrouw – een privéschuld was.
Bron: HR, 5-4-2019

Gebruik van BSN in btw-nummer in strijd met privacywetgeving

Een juriste op het gebied van privacywetgeving is ondernemer voor de omzetbelasting. Zij heeft bezwaren tegen het gebruik van het BSN in het btw-nummer en daarom heeft zij aan de Staatssecretaris van Financiën een nieuw btw-nummer gevraagd, zonder haar BSN. De staatssecretaris wijst dit verzoek af. De juriste gaat in beroep bij Rechtbank Amsterdam tegen de afwijzing van haar verzoek en eist per direct of anders uiterlijk op 1 januari 2020 een nieuw btw-nummer. De staatssecretaris is van oordeel dat de ondernemer geen procesbelang meer heeft, aangezien de wetgeving per 1 januari 2020 toch wordt aangepast. De rechtbank is het hier niet mee eens. Er is nu nog geen verbod op het gebruik van het BSN in het btw-nummer en het is nog onzeker of dat verbod er wel komt op 1 januari 2020. Het gebruik van het BSN in het btw-nummer is onrechtmatig, omdat het in strijd is met privacywetgeving. Onder verwijzing naar het onderzoeksrapport van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) oordeelt de rechtbank verder dat het BSN primair dient als vertrouwelijk persoonsnummer voor de communicatie tussen overheid en burger. Dit nummer leent zich daarom niet goed voor gebruik als btw-nummer. Bovendien is het gebruik van het BSN in het btw-nummer niet noodzakelijk voor de uitvoering van de taak van de Belastingdienst, omdat ook een ander nummer als btw-nummer kan worden gehanteerd. Wel krijgt de staatssecretaris nog gelijk op het punt van de uitvoeringstechnische problemen. De staatssecretaris hoeft niet per direct de ondernemer een nieuw btw-nummer toe te kennen, maar moet dit wel uiterlijk op 1 januari 2020 hebben gedaan.
Bron: Rb. Amsterdam 28-3-2019

UBO-register vanaf januari 2020 in werking

Een deel van de persoonsgegevens van de (in)directe eigenaren zoals de naam en het economisch belang van de UBO wordt via het register openbaar. Het wetsvoorstel om het UBO-register te implementeren is, na advies van de Raad van State, ingediend bij de Tweede Kamer. Nieuw is dat er ook een UBO-register voor trusts zal worden ingevoerd. Open fondsen voor gemene rekening moeten hun UBO’s in dat register opnemen.
Invoering van een UBO-register is een uitvoering van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn. Doel van het register is het tegengaan van financieel-economische criminaliteit, zoals witwassen van geld en terrorismefinanciering door transparantie over wie de uiteindelijk belanghebbende van een onderneming is. Het betreft de natuurlijke persoon die, al dan niet achter de schermen, bij een onderneming of rechtspersoon aan de touwtjes trekt.
De uitwerking van het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende’ in artikel 3, zesde lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn bestaat uit een definitie en drie onderdelen waarin een uitwerking wordt gegeven van wat ten minste moet worden verstaan onder een UBO. De aanhef van artikel 3, zesde lid omvat de UBO-definitie: een UBO is ‘elke natuurlijke perso(o)n(en) die de uiteindelijk eigenaar is (zijn) van of zeggenschap heeft (hebben) over de cliënt en/of de natuurlijke perso(o)n(en) voor wiens/wier rekening een transactie wordt verricht’. In de onderdelen a tot en met c van artikel 3, zesde lid, van de richtlijn wordt vervolgens voor drie gevallen duidelijk gemaakt welke personen tenminste als UBO moeten worden aangemerkt: bij (a) vennootschapsrechtelijke entiteiten, (b) trusts en (c) juridische entiteiten als stichtingen en juridische constructies die vergelijkbaar zijn met trusts. De opsomming in de onderdelen a tot en met c betreft nadrukkelijk geen limitatieve opsomming van criteria, maar een omschrijving van de gevallen waarin in ieder geval sprake is van een UBO.
Het register waarin de UBO-informatie wordt opgenomen, zal onderdeel worden van het handelsregister en daarmee onder beheer vallen van de Kamer van Koophandel. Een deel van de UBO-informatie zal openbaar toegankelijk zijn. Voor bescherming van de privacy en persoonlijke levenssfeer van de UBO’s zijn waarborgen opgesteld.
In het wetsvoorstel staat dat de inwerkingtreding plaatsvindt op een nader bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip. In het nieuwsbericht bij het ingediende wetsvoorstel staat de datum van januari 2020.
Bron: MvF 4-4-2019

Hulp opdrachtgevers bij ontwikkelen webmodule nodig

De webmodule is een online vragenlijst waarmee opdrachtgevers duidelijkheid kunnen krijgen over de vraag of een opdracht buiten dienstbetrekking mag worden uitgevoerd. Als dat het geval is, wordt een opdrachtgeversverklaring afgegeven. Opdrachtgevers hebben dan de zekerheid dat ze geen loonbelasting en premies werknemersverzekeringen zijn verschuldigd.
De inzet is dat de vragenlijst uit de webmodule met zo min mogelijk vragen zo effectief mogelijk werkt. Informatie uit de huidige praktijk is bij het ontwikkelen zeer welkom. Daarom ontvangen duizend opdrachtgevers vanaf 5 april 2019 een vragenlijst. Nadat deze vragenlijsten zijn verwerkt zal een kortere vragenlijst worden ontwikkeld. Deze vragenlijst zal vervolgens getest worden om vast te stellen wat de foutmarge is en in hoeveel gevallen geen opdrachtgeversverklaring kan worden afgegeven.
Aan de uitkomst van het invullen van de vragenlijst uit het onderzoek kunnen nog geen conclusies worden getrokken over de arbeidsrelatie omdat de webmodule nog in ontwikkeling is.
Bron: Min. SZW, 5-4-2019

In rekening brengen belastingrente in strijd met ABBB

Een in België wonende buitenlands belastingplichtige ontvangt met dagtekening 29 februari 2016 een uitnodiging voor de aangifte inkomstenbelasting 2015 in Nederland. De man heeft voor 1 juli 2016 aangifte ingediend. Met dagtekening 31 december 2016 heeft de man een aanslag inkomstenbelasting ontvangen. Hierbij was belastingrente in rekening gebracht. In geschil bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant is of dit terecht is, ofschoon de berekening conform de wettelijke regeling is geweest. De belastingrenteregeling is volgens de rechtbank gebaseerd op de verzuimgedachte. Wettelijk gezien brengt de Belastingdienst geen rente in rekening als de aangifte inkomstenbelasting 2015 voor 1 april 2016 wordt ingediend. Als de aangifte na 1 april 2016, maar voor 1 juli 2016 wordt ingediend is geen sprake van verzuim, toch kan belastingrente verschuldigd zijn. De rechtbank vindt dat in dit geval in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De uitnodigingsbrief wekt het vertrouwen op bij de buitenlands belastingplichtige dat de aangifte tijdig is gedaan als deze voor 1 juli is gedaan en de Belastingdienst dan geen belastingrente in rekening brengt. Er is niet met zoveel woorden over belastingrente gecommuniceerd, terwijl dat vanwege de verzuimgedachte volgens de rechtbank wel had gemoeten. Daar komt nog bij dat buitenlandse belastingplichtigen pas na 31 maart 2016 digitaal aangiften konden doen voor 2015. Bovendien voerde de Belastingdienst in afwijking van de wet voor binnenlandse belastingplichtigen voor belastingjaren 2014 tot en met 2017 als beleid geen belastingrente in rekening te brengen als aangiften voor 1 juli zijn ingediend.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-9-2018 (gepubl. 2-4-2019),

Vaders maken weinig gebruik van ouderschapsverlof

Werkende vaders die na de geboorte van hun kind meer tijd thuis willen zijn, kunnen verschillende verlofsoorten inzetten zoals kraamverlof, arbeidsduurverkorting of vakantiedagen. In 2017 maakte 87% van de werkende vaders met kinderen jonger dan één jaar gebruik van zo’n regeling. Dat aantal is de laatste jaren nauwelijks veranderd
Van de werkende vaders met kinderen tot acht jaar maakte 11% in 2017 gebruik van ouderschapsverlof. Vergeleken met 2015 is het gebruik van ouderschapsverlof onder werkende vaders nagenoeg onveranderd. Een vrijwel even grote groep gaf aan wel behoefte te hebben aan ouderschapsverlof maar het niet opgenomen te hebben. Als belangrijkste redenen om niet direct verlof op te nemen noemen werkende vaders dat het financieel niet haalbaar was, het werk het niet toeliet of dat collega’s onnodig belast zouden worden door hun afwezigheid.
Bron: CBS, 27-3-2019

Ook bij terugstorting is griffierecht tijdig betaald

Een bv had bij Rechtbank Den Haag een beroepschrift ingediend. Hierin had zij met een beroep op betalingsonmacht gevraagd om geen griffierecht te hoeven betalen. Toen de griffier toch een nota voor het griffierecht stuurde, betaalde de bv deze nota op tijd. Vervolgens stortte de griffier het bedrag weer terug. Later wees de rechtbank het beroep op betalingsonmacht af. Toen de rechtbank vervolgens het beroepschrift van de bv behandelde, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht. De Hoge Raad oordeelde dat dit onterecht was en dat de bv het griffierecht tijdig had betaald. Dat de rechtbank het griffierecht had teruggestort, deed hier niets aan af. Wel moest de bv het griffierecht opnieuw betalen, waarna de rechtbank het beroep van de bv in behandeling moest nemen.
Bron: Hoge Raad, 29-3-2019