Navorderingstermijn alleen langer na verleend uitstel

Een man was schuldig bevonden aan witwassen, waarna de Belastingdienst zijn aangiften opnieuw bekeek. Dit leidde ertoe dat de inspecteur op 14 april 2016 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting oplegde over het jaar 2010. De belastingplichtige stelde echter dat de navorderingstermijn op 1 januari 2016 was verstreken. Volgens de inspecteur had de man echter verzocht om uitstel voor het doen van aangifte en moest de navorderingstermijn hierdoor worden verlengd.
Het hof was het niet met de inspecteur eens. De belastingplichtige had weliswaar om uitstel verzocht, maar de inspecteur ontving dit verzoek pas op 26 april 2011. De aangifte was toen inmiddels ontvangen, zodat geen uitstel was verleend. Het hof oordeelde dat hierdoor de navorderingstermijn niet was verlengd, zodat de navorderingsaanslag te laat was opgelegd.
Bron: Hof Amsterdam, 26-2-2019 (gepubl. 29-5-2019)

Niet nakomen afspraak voor risico opdrachtgever

Belanghebbende heeft sinds 2010 als gastdocent werkzaamheden verricht voor de Stichting Hogeschool Rotterdam op grond van een overeenkomst van opdracht. Zij beschikte over een VAR-verklaring. Op 10 april 2016 bracht zij aan de Hogeschool een offerte uit voor onderwijsactiviteiten voor € 55 per uur exclusief btw. In totaal ging het om € 5.830 te betalen in twee termijnen. De Hogeschool ging hiermee akkoord. Belanghebbende heeft in mei 2016 een factuur aan de Hogeschool gestuurd van € 2.750. De Hogeschool hield loonheffing in en betaalde belanghebbende € 1.351,35.
Belanghebbende vond dat de Hogeschool geen loonheffing had mogen inhouden op de factuur en vorderde via de civiele rechter betaling van het volledige factuurbedrag. De Hogeschool stelde dat zij wettelijk verplicht was loonheffing in te houden, omdat zij in verband met de inwerkingtreding van de Wet DBA per 1 mei 2016 het risico liep dat de Belastingdienst haar als inhoudingsplichtige aanmerkte. Uit een eerder boekenonderzoek bleek volgens de Hogeschool duidelijk dat de Belastingdienst zich op het standpunt stelde dat belanghebbende een dienstverband in fiscale zin had en als de Hogeschool geen loonheffing zou inhouden, zij het risico liep te worden aangemerkt als ‘kwaadwillend’ en kon zij een boete krijgen van 50%.
Hof Den Haag concludeerde echter dat uit de correspondentie tussen de Hogeschool en belanghebbende niet bleek dat belanghebbende akkoord was gegaan met de inhouding van de loonheffing. De afspraak hield volgens het hof in dat de Hogeschool haar € 55 per uur zou betalen, zonder deze inhoudingen. Het hof verwierp de stelling van de Hogeschool met betrekking tot haar verplichting om loonheffing in te houden op grond van de Wet DBA en het risico van het stempel ‘kwaadwillend’. Dat zij wellicht een naheffingsaanslag en een boete van de Belastingdienst zou krijgen, kwam volgens het hof voor risico van de Hogeschool omdat de Hogeschool al sinds een vorig boekenonderzoek wist dat de Belastingdienst de werkzaamheden van belanghebbende voor de Hogeschool aanmerkte als een dienstverband in fiscale zin. Naar aanleiding hiervan wist de Hogeschool dat zij samenwerkte met tal van docenten als zzp’ers, waarvoor zij in de ogen van de Belastingdienst inhoudingsplichtig was. Zij was vervolgens aan de slag gegaan om hieraan paal en perk te stellen, maar zij had met belanghebbende bij het sluiten van de overeenkomst en voorafgaand aan de uitvoering daarvan geen afspraken gemaakt over het inhouden van loonheffing. De civiele rechter besliste dat de Hogeschool belanghebbende conform de overeenkomst moest uitbetalen.
Bron: Hof Den Haag 21-5-2019

Pensioenverdeling bij scheiding wordt gemoderniseerd

De exacte inhoud van het wetsvoorstel wordt pas bekend bij indiening daarvan in de Tweede Kamer. Als de Tweede en Eerste Kamer met het wetsvoorstel instemmen, krijgen beide ex-partners in de toekomst een zelfstandig recht op een deel van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Hierdoor hebben de beide ex-partners in de toekomst – in tegenstelling tot de huidige situatie – op pensioengebied niets meer met elkaar te maken. Ook geeft deze nieuwe regeling meer inzicht in de financiële situatie van de ex-partners na hun pensionering.
Na de inwerkingtreding van de wet zullen pensioenuitvoerders bij een melding van een scheiding automatisch overgaan tot een verdeling van de pensioenen. Wel kunnen ex-partners desgewenst aangeven dat zij het pensioen niet willen verdelen. Ook kunnen zij samen andere afspraken maken over de verdeling.
Bron: Min. van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 29-5-2019

Werknemers beter beschermd bij doorstart

Het wetsvoorstel moet voorkomen dat bij een doorstart na een faillissement veel werknemers hun baan verliezen. In 2017 oordeelde het Europese Hof van Justitie bij de ‘pre-pack-doorstart’ van kinderopvangorganisatie Estro dat het personeel recht had op behoud van baan en arbeidsvoorwaarden.
Die uitspraak veroorzaakte discussie over de gevolgen voor andere gevallen. Die onzekerheid heeft een doorstart na faillissement lastiger gemaakt, terwijl dat vaak de meest wenselijke optie is voor de schuldeisers en werknemers. Er blijven bij een doorstart meer banen behouden en er zijn meer mogelijkheden om schulden te voldoen. Ook leveranciers en klanten zijn hierbij gebaat, want het bedrijf kan door. Dat is ook goed voor de economie.
De regeling die het kabinet nu voorstelt, moet duidelijkheid bieden. Werknemers krijgen een betere positie bij een doorstart en potentiële kopers krijgen meer zekerheid over de arbeidskosten, waardoor zij een verantwoord bod kunnen doen.
Het wetsvoorstel regelt ook dat werknemers voor wie er na de doorstart toch geen plek is, niet door een concurrentiebeding beperkt worden om ergens anders aan de slag te gaan. Ook krijgen de ondernemingsraad en de personeelsvereniging het recht om een advies uit te brengen over een voorgenomen doorstart. De rechter-commissaris die toestemming moet geven voor de overgang, zal dit advies bij zijn beslissing betrekken.
Men kan tot 31 augustus 2019 reageren op deze internetconsultatie (https://www.internetconsultatie.nl/overgang_van_onderneming_in_faillisse…).
Bron: Min. SZW en Min. J&V, 29-5-2019

Voorgeschoten loonheffingen door dga informeel kapitaal

Op 1 december 2005 krijgt een man een ontslagvergoeding van zijn toenmalige werkgever van circa € 1 miljoen. Hij brengt de ontslagvergoeding in als stamrecht in een eigen bv. In 2014 wenst de dga gebruik te maken van de afkoopregeling voor stamrechten en daarna de bv te liquideren. Vanwege de slechte financiële positie van de bv besluit de man de verschuldigde loonheffingen uit privémiddelen te voldoen en boekt dit in rekening-courant. Dat doet de man ook met het netto bedrag van de stamrechtuitkering. Het saldo van de rekening-courantvordering van de dga op zijn bv wenste de dga als negatief resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen in box 1 te brengen, waardoor hij ook geen belasting hoefde te betalen over de stamrechtuitkering. In geschil bij Hof Den Haag is of de dga het bedrag van het stamrecht heeft genoten. Het hof stelt voorop dat de waarde van het stamrecht gesteld moet worden op het bedrag dat bij een derde zou moeten worden gestort om de aanspraak te kunnen dekken. De financiële positie van de bv is daarbij irrelevant. Volgens het hof moet bij het betalen van de loonheffingen in privé door de dga al duidelijk zijn geweest dat de bv dit bedrag nooit zou kunnen terugbetalen. Dit leidt tot de conclusie dat de door de dga betaalde loonheffingen kwalificeren informeel kapitaal is. Zou dit informeel kapitaal uit de rekening-courant worden gehaald, dan resteert een vordering. Vanwege deze vordering in rekening-courant van de bv op de dga heeft de man de stamrechtuitkering door verrekening van het nettobedrag volledig genoten, aldus het hof. De inspecteur heeft de stamrechtuitkering dan ook terecht in de belastingheffing betrokken.
Bron: Hof Den Haag 13-2-2019

NS-staking rond Schiphol beperkt door rechter

Alle reizigers staan buiten het conflict, maar de rechter vond specifiek voor Schiphol dat een algehele staking voor te grote problemen zou zorgen waardoor er grote chaos dreigde rond de luchthaven. De rechter riep de machinisten en conducteurs op om voor ogen te houden dat de treinen dinsdag niet worden gebruikt om ministers te vervoeren. ‘Maar om ervoor te zorgen dat het succes van de staking niet wordt overschaduwd door berichtgeving over de puinhoop die er rond Schiphol kan ontstaan.’
Op grond van art. 6 lid 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) is een staking in principe rechtmatig. Art. 6 lid 4 ESH heeft volgens een arrest van de Hoge Raad uit 1986 rechtstreekse werking. Dit betekent dat voor het waarborgen van een doeltreffende uitoefening van het sociaal grondrecht op collectief onderhandelen, werkgevers en werknemers het recht hebben op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht.
De enige beperking ligt in art. G ESH. Dat artikel bepaalt dat een beperking op dit recht is toegestaan mits bij wet voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden. In Nederland vormt art. 6:162 BW de invulling van deze beperking ‘die bij de wet is voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk is.’ Bij de aangekondigde NS-staking heeft de veiligheid dus zwaar gewogen in de afweging van de rechter.
Bron: Rb. Noord-Holland 26-05-2019

KIA niet lager door buitenvennootschappelijke investering

Een ondernemer participeerde samen met vijf anderen een maatschap. In 2013 investeerde de maatschap voor € 40.517 in bedrijfsmiddelen. Daarnaast investeerde de ondernemer zelf voor € 56.515 in een personenauto. In zijn aangifte inkomstenbelasting telde hij deze investeringen bij elkaar op, wat leidde tot een investeringsaftrek van € 15.470. Dit was in 2013 het maximale aftrekbedrag. Volgens de inspecteur had de ondernemer onjuist gehandeld, want hij stelde dat de afzonderlijke leden van de maatschap geen aanspraak konden maken op een hogere KIA dan wanneer er geen buitenvennootschappelijke investeringen zouden hebben plaatsgevonden. De inspecteur berekende de KIA op € 10.085.
Hof Den Bosch was het echter oneens met de inspecteur. Het hof oordeelde dat de ondernemer de investeringen bij elkaar mocht optellen, ook als dat betekende dat de ondernemer hierdoor een hogere – in dit geval zelfs de maximale – KIA mocht toepassen. De Hoge Raad bevestigde de uitspraak van het hof. Volgens de Hoge Raad leidt de samentelling van de investeringen er niet toe dat een lid van een samenwerkingsverband geen aanspraak kan maken op het vaste bedrag van de KIA, ook als de aftrek zonder buitenvennootschappelijke investeringen lager was geweest.
Bron: Hoge Raad, 24-5-2019

Eerste Kamer stemt in met WAB

Het wetsvoorstel Arbeidsbalans in Balans wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, de Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten. Het voorstel beperkt negatieve effecten van specifieke vormen van flexibele arbeid, zoals onzekerheid over werk en inkomen en afwenteling van kosten en risico’s, of maakt deze duurder en daardoor onaantrekkelijker. Ook beoogt het voorstel het aangaan van een vast contract aantrekkelijker te maken voor werkgevers, zodat voor werkenden meer perspectief op zekerheid ontstaat. Om dit te bereiken worden voorstellen gedaan om de wetgeving op het terrein van flexibele arbeid en het ontslagrecht te herzien. Bovendien wordt het aanbieden van een vast contract aantrekkelijker gemaakt door de WW-premie voor vaste contracten lager vast te stellen dan voor tijdelijke contracten.
In de door de Eerste Kamer aangenomen motie-Schalk wordt de regering verzocht bij gelegenheid van een volgend wetsvoorstel te formaliseren dat de f-grond, namelijk ontslag als gevolg van werkweigering in verband met gewetensbezwaar, geen onderdeel kan zijn van de cumulatiegrond.
In de motie-Van de Ven en Oomen-Ruijten wordt de regering verzocht voor de zomer 2019 te komen met de uitwerking van voorstellen voor nieuw zzp-beleid met een definitief tijdpad gericht op een adequate bescherming van de zzp’ers aan de onderkant van de arbeidsmarkt en maatregelen gericht op het tegengaan van schijnzelfstandigheid.
Bron: EK 28-05-2019

Bij overheersende vennoot zijn andere ‘vennoten’ in dienst

Een vof had zestien vennoten, maar slechts één van hen had de feitelijke leiding over de vof. Deze vennoot was als enige bevoegd om namens de vof te handelen en te tekenen. Ook mocht alleen hij geld uitgeven c.q. ontvangen en samenwerkingsverbanden aangaan met derden. Verder hield deze vennoot toezicht op alle andere vennoten, die zich bij ziekte bij hem moesten afmelden, waarna hij voor vervanging zorgde. De anderen hadden ook geen zeggenschap over het toetreden van nieuwe vennoten.
De inspecteur stelde dat er sprake was van een schijnconstructie en de rechtbank was het met hem eens. Voor de aanwezigheid van een vof is vereist dat de vennoten op min of meer gelijkwaardige basis met elkaar samenwerken en dat was hier niet het geval. Daarom kwalificeerden de ondergeschikte vennoten niet als vennoot voor de inkomstenbelasting en was er feitelijk sprake van meerdere dienstbetrekkingen.
Bron: Rb. Noord-Nederland, 7-2-2019 (gepubl. 21-5-2019)

Ondanks tijdige melding betalingsonmacht toch aansprakelijk

Een man en zijn echtgenote wonen in het Verenigd Koninkrijk (VK). Beiden zijn dga van een in het VK opgerichte Limited. Deze Limited heeft de in haar verlies- en winstrekening opgenomen ‘directors fees’ niet in haar Nederlandse loonadministratie verantwoord. Ook heeft de Limited naast toepassing van de 30%-regeling op declaratiebasis onbelaste kostenvergoedingen uitbetaald voor ‘house- en living allowances’ aan de man en zijn vrouw. Na een boekenonderzoek heeft de Belastingdienst naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd, verhoogd met boeten en rente. De Limited heeft de aanslagen niet betaald en daarom heeft de ontvanger de man aansprakelijk gesteld voor de onbetaalde aanslagen. Voor Rechtbank Den Haag is in geschil of de aansprakelijkstelling terecht is. Van belang daarvoor is of de man bestuurder is van de Limited. Dit blijkt volgens de rechtbank uit de inschrijving in de Companies House (Kamer van Koophandel in het VK). Ook zijn er afschriften van ‘director’s reports’ bij de stukken van het geding waaruit blijkt dat de man bestuurder is geweest van de Limited. Hoewel de Limited een melding betalingsonmacht heeft gedaan, is deze niet rechtsgeldig, omdat bij opzet of grove schuld van het lichaam de bestuurder geen rechtsgeldige melding betalingsonmacht kan doen. Door aanzienlijke ontvangen beloningen niet in aangifte loonheffingen aan te geven en door andere inkomsten juist onder de 30%-regeling te brengen was sprake van grove schuld. Dat het lichaam feitelijk betalingsonmacht had gemeld of de Belastingdienst al langs een andere weg op de hoogte was van de betalingsonmacht, is dan niet relevant. De bestuurder kan alleen aan aansprakelijkheid ontkomen als hij duidelijk kan maken dat het niet betalen van de aanslagen hem niet valt te verwijten. De loonadministratie wordt verzorgd door een deskundig kantoor, dat is echter niet relevant. Uit de stukken blijkt namelijk niet dat een dergelijk kantoor om advies is gevraagd. Ook blijkt niet dat een dergelijk kantoor zich had uitgelaten over de voorwaarden voor het onbelast kunnen uitbetalen van de ‘director’s fees’ en kostenvergoedingen. Daarom is het aan de bestuurder te wijten dat niet rechtsgeldig kon worden gemeld.
Bron: Rb. Den Haag 21-3-2019 (gepubl. 27-5-2019)