Bijtelling privégebruik auto is geen verboden importbelemmering

Een man krijgt van zijn werkgever eerst een Volkswagen Golf ter beschikking en na zeven tijdvakken een Volkswagen Tiguan. De Volkswagen Tiguan is een gebruikte auto die vanuit Duitsland is geïmporteerd. De werkgever past op het loon van de werknemer een bijtelling toe, omdat de werknemer de auto privé mag gebruiken. De werknemer stelt dat de toepassing van de bijtelling achterwege moet blijven. Zijn motivering is dat de bijtelling in strijd is met het Europees recht. De man stelt dat werknemers vaak zullen kiezen voor een nieuwe auto, omdat de fiscale bijtelling geen onderscheid maakt tussen nieuwe en gebruikte auto’s. Dit komt doordat de belasting op een gebruikte auto niet lager is dan de belasting op een nieuwe auto, aldus de man. Dit alles zou de import van gebruikte auto’s belemmeren. Het hof merkt om te beginnen op dat de bijtelling in beginsel afhankelijk is van de cataloguswaarde van de auto. Dit geldt zowel voor nieuwe als gebruikte auto’s, er is geen sprake van een verboden onderscheid. Vervolgens gaat het hof in of sprake is van verboden zijdelings fiscaal protectionisme. Vanwege de invoer van een gebruikte auto is BPM verschuldigd, maar deze is niet hoger dan voor een Nederlandse auto. Bovendien kan de bijtelling alleen aan de orde zijn als de werkgever de auto ter beschikking stelt aan een werknemer. Op het moment van invoer zal nog niet bekend zijn of de werkgever de auto ter beschikking zal stellen aan een werknemer. Laat staan dat dan al vaststaat dat de werknemer meer dan 500 privékilometers zal afleggen met die auto. Het hof oordeelt daarom dat geen sprake is van zijdelings fiscaal protectionisme. Ten slotte meent het hof dat de werknemer de schending van het Unierecht ten onrechte benadert vanuit zijn oogpunt. Het is namelijk de werkgever die de auto aanschaft en daarbij niet alleen denkt aan de belangen van de werknemer. Het hof verklaart het hoger beroep van de werknemer ongegrond.
Bron: Hof Den Bosch, 20-12-2018 (gepubliceerd 13-03-2019)

Verdubbeling budget voor persoonlijke ontwikkeling

Het aantal werknemers met een budget groeide van 1 miljoen naar 2,3 miljoen. Het gemiddelde budget waarover de betreffende werknemers jaarlijks beschikken, groeide tussen 2013 en 2018 van € 669 naar € 706. Daarnaast stellen veel regelingen tijd beschikbaar aan werkenden.
Werknemers mogen hun budget met grote keuzevrijheid besteden. Belangrijkste bestedingsdoelen zijn opleidingen, training, maatregelen die de persoonlijke werk-privébalans verbeteren en loopbaanadvies.
Over de besteding van de beschikbare budgetten zijn de werkgevers minder tevreden. Werknemers zijn nog te weinig met hun eigen inzetbaarheid bezig, zegt meer dan de helft van de werkgevers. Ook is het lijnmanagement vaak onvoldoende betrokken bij het thema om een stimulerende rol te kunnen spelen. Daarbij zijn de regelingen als zodanig in de ogen van veel werkgevers te ‘vrijblijvend’.
Bron: AWVN

Schadevergoeding voor kennelijk onredelijk ontslag was belast

In deze zaak werd een werknemer in 2013 ontslagen. Hierbij ontving hij een ontslagvergoeding. Na goedkeuring door de Belastingdienst werd de stamrechtvrijstelling toegepast en stortte de ex-werkgever het betreffende bedrag zonder inhoudingen in de stamrecht-bv van de werknemer. In februari 2014 sleepte de werknemer zijn ex-werkgever voor de rechter, die de ex-werkgever vanwege kennelijk onredelijke opzegging tot betaling van een schadevergoeding veroordeelde. De ex-werkgever betaalde dit bedrag uit, maar hield hierbij wel loonheffing in.
De Hoge Raad bepaalt dat de ex-werkgever hierbij juist heeft gehandeld, omdat het overgangsrecht voor het vervallen van de stamrechtvrijstelling niet van toepassing is. Dit overgangsrecht is namelijk alleen van toepassing als de aanspraak op de schadeloosstelling op 31 december 2013 voldoende is bepaald of bepaalbaar is. Dit is volgens de Hoge Raad niet het geval, aangezien de ex-werknemer in 2013 slechts de verwachting had dat hij een vergoeding zou gaan ontvangen vanwege een kennelijk onredelijk ontslag. Pas in 2014 is sprake van een belaste bate en komt vast te staan dat de schadevergoeding werd gebruikt voor een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de stamrechtvrijstelling en moest de ex-werkgever bij uitbetaling van de schadeloosstelling inderdaad loonheffingen inhouden.
Bron: HR, 8-3-2019

Zzp’er meer kans op armoede

Van de werkenden in de leeftijd van 15 tot 75 jaar maakte 2,5% deel uit van een huishouden met een inkomen onder de kritische grens oftewel met risico op armoede. Dat komt neer op 188.000 personen. Het aandeel werkenden met een armoederisico is niet veranderd ten opzichte van 2016. Onder zzp’ers nam het armoederisico wel toe.
Het meeste risico lopen zelfstandigen die in deeltijd werken, maximaal 24 uur per week. Ook zzp’ers die meer uren in deeltijd werken lopen met een aandeel van rond 15 procent een verhoudingsgewijs hoog risico.
Bij de zzp-voltijders is het risico op armoede aanzienlijk kleiner, namelijk 1,1%. Werkenden met een niet-westerse achtergrond lopen beduidend meer risico op een laag inkomen dan werkenden met een Nederlandse achtergrond, zowel incidenteel als langdurig. Bij de tweede generatie is dat risico lager dan voor de eerste generatie.
Een hoger opleidingsniveau gaat gepaard met een lager armoederisico. De verschillen naar herkomst en opleidingsniveau zijn bij zzp’ers eveneens het meest uitgesproken.
Bron: CBS 5-3-2019

Conceptbesluit overgangsrecht bij no deal Brexit

Staatssecretaris Snel heeft het conceptbeleidsbesluit met fiscaal overgangsrecht bij een no deal Brexit naar de Tweede Kamer gestuurd. Als gevolg van de in dit besluit opgenomen algemene goedkeuring wordt het Verenigd Koninkrijk voor een aantal belastingwetten voor het lopende belastingjaar dan wel boekjaar nog beschouwd als deel uitmakend van de Europese Unie. Hierdoor blijft het huidige fiscale regime voor deze belastingwetten van toepassing als ware het Verenigd Koninkrijk nog steeds lid van de Europese Unie.
Het conceptbeleidsbesluit bevat zowel algemene als specifieke goedkeuringen.
De algemene goedkeuring geldt voor:

de Wet inkomstenbelasting 2001;
de Wet op de loonbelasting 1964;
de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen;
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
de Algemene wet inzake rijksbelastingen; en
de op deze wetten betrekking hebbende algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen en beleidsbesluiten.

De specifieke goedkeuringen hebben geen betrekking op de complete belastingwet maar op een specifiek onderdeel. Deze gelden voor:

het anoniementarief en de identificatieplicht in de Wet op de loonbelasting 1964;
de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992;
de Wet op de omzetbelasting 1968;
de Invorderingswet 1990; en
de op deze wetten betrekking hebbende algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen en beleidsbesluiten.

Voor de omzetbelasting, meer specifiek voor goederen die rond het tijdstip van de terugtrekking van het VK uit de EU onderweg zijn van of naar het VK, kan nog geen nationaal overgangsrecht worden vastgesteld. Dit overgangsrecht moet worden gebaseerd op guidelines van de Europese Commissie en die zijn nog niet vastgesteld. Dit wordt medio maart verwacht. Daarna zal het beleidsbesluit worden aangevuld.
Nieuwe gevallen
De overgangsregeling is primair bedoeld voor burgers en bedrijven waarvoor als gevolg van de no deal Brexit de (fiscale) situatie direct wijzigt (de bestaande gevallen). Voor nieuwe gevallen, bijvoorbeeld mensen die na 29 maart 2019 maar nog in 2019 naar het Verenigd Koninkrijk verhuizen, zou het standpunt kunnen worden ingenomen dat een overgangsregeling niet nodig is. Voor de Belastingdienst is het in de uitvoering echter moeilijk om gedurende de periode waarin de overgangsregeling van toepassing is, een onderscheid te maken tussen bestaande en nieuwe gevallen. Om die reden geldt de overgangsregeling gedurende het lopende belastingjaar 2019 of het lopende boekjaar ook voor nieuwe gevallen.
Bron: MvF 08-03-2019, Besluit overgangsregeling ivm Brexit

Betere controle bij UWV

De instantie is in opspraak geraakt door onder meer fouten bij uitkeringen, conflicten tussen hoger en lager personeel en ruzie over ict-vernieuwing.
Naast een reeks eerder aangekondigde maatregelen wordt de positie van de interne auditcommissie van het UWV versterkt om dilemma’s en risico’s in de uitvoering eerder zichtbaar en bespreekbaar te maken. Daarnaast vervroegt de minister een deel van de evaluatie van de wet SUWI en de toegezegde evaluatie van het toezichtbeleid.
Verder investeert UWV extra in het vakmanschap van management en medewerkers en in een open cultuur binnen de organisatie.
Bron: Min. SZW, 7-3-2019

Herbeoordeling geldlening bij echtscheiding

In deze zaak was een dga gehuwd in gemeenschap van goederen. Tot de huwelijksgemeenschap behoorden onder andere de echtelijke woning en aandelen in twee bv’s waarvan de dga enig aandeelhouder en bestuurder was. In 2011 scheidden de dga en zijn vrouw. In het echtscheidingsconvenant stond dat de activa en een klein gedeelte van de hypotheekschuld aan de vrouw werden toebedeeld. De dga hield de aandelen in de twee bv’s. Ook nam de dga een groot deel van de hypothecaire leningen voor zijn rekening, zodat zijn ex-vrouw in de echtelijke woning kon blijven wonen. De leningen waren oorspronkelijk aangegaan voor de verwerving van de woning.
De dga wilde de betaalde rente op de overgenomen leningen in aanmerking nemen als kosten ter verwerving van ab-aandelen. De rechtbank moest bepalen welk deel van de overgenomen schulden kon worden toegerekend aan de toegedeelde ab-aandelen. De rechtbank stelde dat er aanvankelijk geen causaal verband was tussen de hypothecaire leningen en de ab-aandelen, maar dit causale verband kon alsnog zijn ontstaan door de verdeling van de huwelijksgemeenschap als gevolg van de echtscheiding. Als de dga alleen het aanmerkelijk belang zou hebben verkregen, zou hij zijn overbedeeld en zou hij een schuld aan zijn ex-echtgenote hebben gehad. En als hij vervolgens bij een bank geld zou hebben geleend om de schuld aan zijn ex-vrouw te voldoen, zou die schuld kwalificeren als schuld voor behoud van het aanmerkelijk belang. Daarom kon de betaalde rente in principe worden toegerekend aan de ab-aandelen. Wel oordeelde de rechter dat, als gevolg van de totale verdeling, de betaalde rente niet volledig toerekenbaar was aan het aandelenpakket.
Bron: Rb. Gelderland, 11-02-2019

Wetsvoorstel rekening-courantmaatregel dga ter consultatie

De voornaamste reden voor het invoeren van deze maatregel is het tegengaan van belastinguitstel en -afstel door ab-houders. Door overtollige gelden als lening aan de eigen vennootschap te onttrekken in plaats van als dividend of loon te genieten, wordt belastingheffing op dat moment voorkomen. Het kabinet sluit met dit wetsvoorstel de belastingheffing aan op het beschikkingsmoment van deze gelden.
Ab-houders moeten vanaf de datum van inwerkingtreding van de in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen box 2-belasting betalen over leningen van hun vennootschap voor zover die leningen hoger zijn dan € 500.000. Wanneer een lening een eigenwoningschuld vormt, wordt deze onder bepaalde voorwaarden volledig uitgezonderd. Om te kwalificeren voor de uitzondering van de maatregel moet de schuld in ieder geval voldoen aan de voorwaarden van de eigenwoningregeling in de Wet IB 2001. Daarnaast wordt voor nieuwe eigenwoningschulden ook de voorwaarde gesteld dat de ab-houder een recht van hypotheek verstrekt aan zijn vennootschap.
De voorgestelde maatregel heeft alleen gevolgen voor de bepaling van het inkomen uit aanmerkelijk belang in de inkomstenbelasting. In afwijking van de systematiek van de Wet IB 2001, wordt voorgesteld de ab-houder niet individueel maar met zijn partner gezamenlijk in de heffing te betrekken voor hun schulden boven de € 500.000 aan de vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden. Alle typen leningen vallen onder de regeling ter bepaling van het totaalbedrag aan schulden.
De consultatie staat open tot 1 april 2019. Naar verwachting wordt het wetsvoorstel in de zomer ingediend bij de Tweede Kamer, zodat de maatregelen per 1 januari 2022 in werking kunnen treden.
Bron: Internetconsultatie Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap, 04-03-2019

De werkgevers roepen vakbonden weer aan tafel voor pensioenakkoord

De voor 18 maart aangekondigde stakingen treffen volgens de werkgeversvoorzitters vooral de ondernemers die geen enkele invloed hebben op het kabinetsbeleid en de AOW-leeftijd. Volgens de werkgevers hebben de vakbonden in november een unieke mogelijkheid laten liggen om voor ouderen indexering weer mogelijk te maken, én jongeren de zekerheid van een goed pensioen te geven. Het laatste brandende punt was de AOW-leeftijd. Maar dat is iets waar ondernemers geen enkele invloed op hebben aangezien dat kabinetsbeleid is.
Juist in dit versplinterde politieke landschap moet de polder volgens de werkgeversvoorzitters zijn stabiliserende rol vervullen. De oplossing is volgens de werkgevers dat de stijging van de AOW-leeftijd wordt afgevlakt. Dat het eerder stoppen in zware beroepen mogelijk moet worden gemaakt met maatwerk. Dat zzp’ers beter toegang krijgen tot pensioen. Én dat pech- en gelukgeneraties worden voorkomen.
Bron: VNO-NCW / MKB-Nederland, 09-03-2019

Omkering bewijslast bij incorrecte administratie

Een Nederlandse broodbakker kocht meel in bij een Belgische groothandel. De Belgische belastingdienst ontdekte dat deze groothandel een schaduwboekhouding voerde, wat er uiteindelijk toe leidde dat aan de Nederlandse broodbakker navorderingsaanslagen inkomstenbelasting werden opgelegd. Volgens de inspecteur had de broodbakker namelijk zwart meel ingekocht bij de Belgische groothandel en dit meel vervolgens gebruikt voor omzet die niet was opgegeven.
Het hof oordeelde dat de inspecteur voldoende had bewezen dat de administratie onjuist was. Op de witte facturen in de boekhouding waren namelijk met pen bedragen vermeld die overeenkwamen met de bedragen uit de zwarte boekhouding van de Belgische groothandel. Ook was er regelmatig sprake van negatieve kassaldi, was het brutowinstpercentage opvallend laag én was de omzet te laag in verhouding tot de inzet van het personeel. Daarom werd de bewijslast omgekeerd, waarna de bakker er niet in slaagde om geschikt tegenbewijs te leveren. En omdat het hof vond dat de schatting van de fiscus redelijk was, bleven de opgelegde navorderingsaanslagen gehandhaafd.
Bron: Hof Den Bosch, 29-11-2018 (gepubl. 27-2-2019)