Zelf geperst sinaasappelsap en verbruiksbelasting

In een supermarkt kunnen klanten zelf sinaasappelsap persen. De supermarktexploitant heeft hiervoor eind 2014 aangifte verbruiksbelasting alcoholvrije dranken gedaan, de verschuldigde belasting afgedragen en is vervolgens in bezwaar gegaan. Hij vindt dat niet hij maar de klant belastingplichtig is voor de verbruiksbelasting. De supermarkt stelt alleen aan de klanten een persmachine ter beschikking, maar de klanten vervaardigen het sinaasappelsap.
Voor deze redenatie vindt hij geen steun bij Hof Arnhem-Leeuwarden. Het hof stelt vast dat de persmachine eigendom is van de supermarkt en wordt onderhouden en schoongemaakt door haar werknemers. Ook de sinaasappels en de flesjes zijn vóór het persen eigendom van de supermarkt. Vervolgens stelt de supermarkt dit alles aan haar klanten ter beschikking en het enige dat de klanten doen is op een knop drukken om de flesjes met sinaasappelsap te laten vullen. Vervolgens rekenen zij dit af bij de kassa. Omdat het handelen van de supermarkt zodanig bepalend is voor het doen ontstaan van het sinaasappelsap kan dit worden aangemerkt als vervaardigen. Kortom, de supermarkt is belastingplichtig voor de verbruiksbelasting.
Het hof leidt uit de wetsgeschiedenis af dat de wetgever er voor heeft gekozen om de zogenoemde zelfpersers niet in de heffing van verbruiksbelasting te betrekken als deze niet meer dan 12.000 liter vruchtensap per kalenderjaar vervaardigen. In dit geval was er sprake van aanzienlijk meer liter. De extra administratieve lasten waarmee de supermarkt mee werd geconfronteerd waren volgens het hof, gezien het betrekkelijk geringe bedrag aan verbruiksbelasting, niet als buitensporig aan te merken.
Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 22-01-2019

Niks doen leidt niet meteen tot prijsgeven pensioenaanspraak

In deze zaak had een dga op grond van de pensioenregeling met zijn bv vanaf 1 mei 2013 recht op een jaarlijkse pensioenuitkering van € 57.327. De bv betaalde in 2013 echter geen pensioen uit en de dga vermeldde in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2013 niets over pensioen van zijn bv. Vervolgens nam de inspecteur met betrekking tot 2013 een tijdsevenredig deel van het pensioen in aanmerking bij de dga. Hof Den Haag vond dit terecht, want volgens het hof had de dga zijn pensioenaanspraak in 2013 door niets te doen prijsgegeven, waardoor de gehele aanspraak in 2013 was belast.
Maar de Hoge Raad oordeelde anders. Volgens de Hoge Raad is het feit dat de dga geen actie heeft ondernomen met betrekking tot zijn pensioen onvoldoende reden om te concluderen dat hij zijn pensioenaanspraak heeft prijsgegeven. Dit nam echter niet weg dat de inspecteur juist had gehandeld, want het tijdsevenredige deel van het jaarlijkse pensioen was in 2013 vorderbaar en inbaar en werd daarom geacht te zijn genoten.
Bron: HR 8-2-2019

Banengroei in zorg en welzijn bovengemiddeld

De toename van het aantal banen was het grootst in de branches kinderopvang en geestelijke gezondheidszorg (respectievelijk 7,1 en 7,4%). In de branche universitaire medische centra (UMC’s) was de stijging het kleinst (0,8%). Alleen in de branche sociaal werk waren er minder banen vergeleken met een jaar eerder (-2,6%).
In het derde kwartaal van 2018 was 1 op de 6 banen in Nederland een functie in de bedrijfstak zorg en welzijn. De bedrijfstak heeft een lagere deeltijdfactor dan de totale arbeidsmarkt. In de zorg en welzijn is het aantal contracturen gemiddeld 67% van de voltijdsaanstelling. Voor de totale groep werknemers is dat 75%.
De arbeidsmarktcijfers voor de bedrijfstak zorg en welzijn zijn verzameld voor het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt zorg & welzijn (AZW) van CBS. De cijfers van de tien hoofdbranches van de bedrijfstak zijn waar mogelijk uitgesplitst naar 28 RegioPlusgebieden. De resultaten kunnen worden geraadpleegd op AZW StatLine en worden getoond op het AZW-dashboard. Op de AZW-website staat ook een beschrijving van de gebruikte methoden. Met dit programma wil CBS de partijen in de bedrijfstak zorg en welzijn voorzien van eenduidige en betrouwbare informatie over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.
Bron: CBS 5-02-2019

Krimp productie industrie

De elektrische en elektronische industrie produceerde in december bijna 14% minder dan in december 2017. Ook de productie van de transportmiddelen, machine-, de farmaceutische en de chemische industrie kromp sterker dan gemiddeld in de totale industrie.
Gecorrigeerd voor seizoen- en werkdageffecten daalde van november op december 2018 de productie met 3,9%. De productie in december ligt daarmee op het laagste niveau sinds september 2017. De voor seizoen- en werkdageffecten gecorrigeerde productie fluctueert overigens aanzienlijk. Dalingen en stijgingen volgen elkaar snel op.
Ook het producentenvertrouwen zit in een dip. In januari 2019 waren de producenten vooral minder positief over de verwachte bedrijvigheid. Het vertrouwen in januari ligt echter nog ruim boven het gemiddelde van de afgelopen twintig jaar.
Duitsland is een belangrijke afzetmarkt voor de Nederlandse industrie. Ook daar is een vergelijkbare ontwikkeling te zien. De Duitse vertrouwensindicator van de industriële producenten (Ifo-index) daalde in januari tot het laagste niveau sinds september 2016. De Duitse producenten zijn vooral negatiever over de verwachte bedrijvigheid. De gemiddelde dagproductie van de Duitse industrie kromp in december met 4% in vergelijking met een jaar eerder.
Bron: CBS 8-02-2019

Totale schuld was winstuitdeling

Een plastisch chirurg hield via een STAK alle aandelen in een bv. Bij de werkmaatschappij van die bv had hij een hypothecaire lening van € 225.000 en een rekeningcourantschuld van € 578.414. In zijn aangifte over 2010 was de rekeningcourantschuld niet vermeld. Voor de aangifte over 2011 vraagt zijn (toenmalige) adviseur een expliciete standpuntbepaling ten aanzien van een in de aangifte opgenomen voorziening. In die aangifte zijn de rekeningcourantschuld en de hypothecaire lening van de plastisch chirurg opgenomen. In januari 2017 legt de inspecteur een navorderingsaanslag op voor een verzamelinkomen van € 876.900, waarvan € 803.414 is aangemerkt als inkomen uit aanmerkelijk belang wegens een belaste uitdeling.
Volgens de chirurg is alleen de aangroei van de rekeningcourantschuld van € 170.523 in 2010 als een uitdeling aan te merken, maar hier is Rechtbank Gelderland het niet mee eens. De bv en de chirurg hadden zich er bewust van moeten zijn dat het niet meer aannemelijk was dat de lening niet meer zou worden afgelost. In dat geval is er sprake van een vermogensverschuiving naar de aandeelhouder. Over de verschuldigde rente, aflossing en zekerheden was niets op schrift vastgelegd. Ook voor de aflossing van de rekeningcourantschuld kon de chirurg geen zekerheden bieden. Daar op diens woning een hypotheek van € 850.000 rustte was deze als mogelijke zekerheid voor de bv van geen betekenis. En ook de financiële positie van de chirurg bood geen ruimte voor het jaarlijks betalen van rente en aflossing. Volgens de rechtbank was het duidelijk dat de opgenomen gelden blijvend aan de bv zijn onttrokken. Daar de bv in 2010 over voldoende winstreserves beschikte om de winstuitdeling te dekken, leidt dit tot de conclusie dat het hier ging om een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang.
Bron: Rb. Gelderland 31-01-2019

Fiscaal overgangsrecht bij harde Brexit

Dit heeft de staatssecretaris per brief aan de Tweede Kamer laten weten. Voor burgers gaan zijn gedachten uit naar een regeling waarin het VK voor een aantal aan te wijzen belastingwetten voor het lopende belastingjaar nog wordt beschouwd als deel uitmakend van de EU waardoor het huidige fiscale regime van toepassing blijft.
Met de keuze voor overgangsrecht voor bedrijven wordt beoogd te voorkomen dat acute (fiscale) gevolgen en administratieve lasten optreden. De staatsecretaris wil daarnaast overgangsrecht treffen om te voorkomen dat in hetzelfde boekjaar verschillende fiscale behandeling plaatsvindt over hetzelfde feitencomplex (compartimenteringsvraagstukken). Dergelijke compartimenteringskwesties kunnen complex zijn in de uitvoering en leiden tot additionele administratieve lasten voor het bedrijfsleven en uitvoeringslasten voor de Belastingdienst.
Een no deal-scenario leidt vanaf de datum van terugtrekking tot een ander fiscale behandeling. Zo zullen Nederlanders die in het VK wonen en waarvan een deel van het inkomen (als buitenlands belastingplichtige) in Nederland wordt belast, het recht op eventuele persoonsgebonden aftrekposten verliezen. Ook heeft de terugtrekking mogelijk gevolgen voor de fiscale eenheid Vpb als de topmaatschappij in het VK is gevestigd. De fiscale eenheid wordt dan van rechtswege verbroken.
Het beleidsbesluit wordt definitief vastgesteld en gepubliceerd zodra duidelijk wordt dat de terugtrekking van het VK plaatsvindt zonder dat er een akkoord is gesloten.
Bron: MvF, 04-02-2019

Tweede Kamer stemt in met Wet arbeidsmarkt in balans

Een reeks amendementen was door de Tweede Kamer ingediend, waarvan drie zijn aangenomen. Een amendement van het Kamerliden Smeulders (GL) e.a. waarmee de voorgestelde verlenging van de maximale proeftijd bij een vast contract tot vijf maanden uit het wetsvoorstel wordt geschrapt, kreeg de steun van bijna de gehele Kamer (alleen FvD tegen). Vorige week was al duidelijk dat dit onderdeel van het wetsvoorstel niet de steun van de Tweede Kamer heeft.
Verder nam de Kamer het amendement van het Kamerlid Stoffer (SGP) e.a. aan. Dit amendement zondert bijbaantjes (maximaal 12 uur per week) van jongeren tot 21 jaar uit van de verhoogde WW-premie. Een ander aangenomen amendement van Stoffer e.a. regelt dat voor seizoensgebonden werk op grond van natuurlijke of klimatologische omstandigheden een uitzondering kan worden gemaakt (bij cao of op grond van een regeling van een bevoegd orgaan) voor de verplichtingen om bij wijziging van arbeidstijden loon te betalen en om na een jaar een contract met vaste arbeidsomvang aan te bieden. Ook kan volgens dit amendement een uitzondering worden gemaakt voor de verplichte oproeptermijn van vier maanden bij oproepovereenkomsten.
Bron: Tweede Kamer 5-02-2019

Burn-out niet alleen door werk

Onderzoekers van TNO hebben geconstateerd dat burn-outklachten onder werknemers zijn gestegen van 11% in 2007 naar 16% in 2017. De cijfers zijn opgenomen in de Arbobalans 2018 die TNO onlangs heeft gepubliceerd. De tweejaarlijkse Arbobalans geeft een overzicht van de kwaliteit van arbeid, de werkgerelateerde gezondheid in Nederland en de ontwikkelingen hierin.
Volgens het onderzoek hebben niet alle werknemers even vaak klachten. Ondanks de slechtere arbeidsomstandigheden rapporteren oproep- en invalkrachten en werknemers met een tijdelijk contract beduidend minder burn-outklachten dan werknemers met een vast contract of uitzendkrachten. Werkgerelateerd verzuim, arbeidsongeschiktheid en zorgkosten kost volgens het onderzoek bijna € 9 miljard per jaar.
Volgens de ondernemersorganisaties kan burn-out ook een gevolg zijn van een opeenstapeling van problemen die zich deels afspelen in de privésfeer. Dit wordt volgens hen ondersteund door het gegeven dat flexwerkers, ondanks de volgens TNO minder goede arbeidsomstandigheden, veel minder problemen ervaren. Volgens de ondernemersorganisaties wijst dit erop dat burn-outklachten niet alleen gerelateerd zijn aan het werk.
Staatssecretaris Van Ark van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil dit jaar onderzoek doen naar de mechanismen achter de verhoogde kans op burn-out bij een aantal risicogroepen.
Bron: VNO-NCW 31-01-2019

Verruiming werkkostenregeling

Het is de bedoeling dat de verruiming gaat gelden vanaf 1 januari 2020. Op dit moment mogen werkgevers tot 1,2% van de fiscale loonsom onbelast vergoeden of verstrekken. Dit percentage wordt verhoogd naar 1,7% voor de eerste € 400.000 van de loonsomn. Dit betekent dat werkgevers bij een loonsom van € 400.000 € 2.000 meer aan vrije ruimte in de werkkostenregeling krijgen. Voor het bedrag boven € 400.000 blijft het percentage van 1,2% gelden.
Daarnaast wordt de vergoeding die de werkgever aan de werknemer geeft voor het aanvragen van een verklaring omtrent gedrag (VOG) voortaan toegevoegd aan de lijst vrijstellingen.
De verruiming is een uitwerking van de € 100 miljoen die door het kabinet vorig jaar augustus beschikbaar is gesteld voor lagere lasten op arbeid voor het mkb.
Bron: MvF 1-02-2019

Cao-akkoord Metalektro

Afgesproken is onder meer een loonsverhoging in drie stappen: per 1 februari 2019 gaan de lonen omhoog met 3,5%, per 1 augustus 2019 volgt er dan nog een verhoging met € 58 bruto en per 1 januari 2020 een verhoging met € 116 bruto. Door de twee verhogingen met een vast bedrag gaan met name de werknemers in de lagere loonschalen en jongeren er extra op vooruit.
Verder is afgesproken dat gedurende de looptijd van de cao minimaal 3.000 uitzendkrachten een vast dienstverband wordt aangeboden.
Andere afspraken uit het cao-akkoord zijn onder andere een generatiepact (twee varianten zijn afgesproken: 80-90-100% vanaf 60 jaar, of 70-85-100% vanaf 62 jaar), duurzame inzetbaarheid (werknemers krijgen recht op één betaalde dag per jaar om daaraan te werken), afspraken over ploegen, nachtdiensten en consignatie, afspraken over opleiden en ontwikkelen.
De voorstellen worden nu voorgelegd aan de achterban van de werkgevers en bonden. Pas als die met het principeakkoord instemmen, worden de afspraken definitief.
Bron: FME 1-02-2019; CNV Vakmensen 1-02-2019