Lange termijn voor opvragen schriftelijke bescheiden

Een echtpaar verhoogt in 2007 de hypothecaire lening voor hun woning met € 93.500 tot € 468.000. In hun aangiften vermelden zij dat de verhoging verband houdt met een verbouwing van hun woning, maar kunnen dit niet met schriftelijke bewijsstukken onderbouwen. In eerste instantie volgt de inspecteur de aangiften. Later vraagt de inspecteur toch om schriftelijke bewijsstukken ter onderbouwing van de kosten voor de eigen woning. Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat het door de Belastingdienst volgen van aangiften over bepaalde jaren, niet automatisch met zich meebrengt dat belastingplichtigen niet meer met schriftelijke stukken hoeven aan te tonen dat de uitgaven kwalificeren als kosten eigen woning. Wel geeft het hof aan dat de inspecteur zijn rechten heeft verwerkt om stukken op te vragen, omdat hij dat pas na afloop van de navorderingstermijn doet. De Hoge Raad is het met het laatste oordeel van het hof niet eens. In de wet is niet opgenomen dat de inspecteur de schriftelijke bewijsstukken moet opvragen binnen zes jaar of binnen de navorderingstermijn. Daar doet niet aan af dat de inspecteur in andere jaren de aftrek van de rente wel heeft geaccepteerd. Alleen als het echtpaar aannemelijk kan maken dat het volgen door de inspecteur van de aangiften in andere jaren op een weloverwogen standpunt van de inspecteur berust, is de rente toch aftrekbaar. Dit heeft het echtpaar niet gedaan.
Bron: HR 19-4-2019

Werkgevers willen niet alleen betalen voor ouderschapsverlof

De richtlijn bepaalt dat ouders ten minste twee maanden betaald verlof moeten krijgen. Landen hebben drie jaar de tijd om dit te regelen.
Eerder heeft de SER zich uitgesproken over betaald verlof. Dat moet er komen als dat nodig is voor een betere verdeling van de zorg tussen mannen en vrouwen, en een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen, aldus de SER.
Het verlof zou moeten worden geconcentreerd in het eerste levensjaar van het kind. ‘En als we besluiten dat dat van breed maatschappelijk belang is, moet de bekostiging van het verlof ook uit de algemene middelen komen’, stellen VNO-NCW en MKB-Nederland.
In de Europese work-life balance-richtlijn waarover is gestemd, is ook tien dagen betaald partnerverlof opgenomen. In Nederland heeft het kabinet dit jaar het volledig betaald (door de werkgever) partnerverlof verlengd van twee naar vijf dagen.
Daarnaast komt per 1 juli 2020 de mogelijkheid om vijf weken aanvullend verlof op te nemen met doorbetaling van 70% van het salaris. Dit wordt door het UWV betaald en gefinancierd uit de Aof-premie (Arbeidsongeschiktheidsfonds).
Bron: VNO-NCW, 8-4-2019

Fiscale eenheid OB kan ook bij geringe gezamenlijke activiteit

Drie stichtingen vormden een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Verreweg de belangrijkste activiteit is het aanbieden van basisonderwijs, want ongeveer 99% van de inkomsten had betrekking op deze activiteit. De resterende 1% van de inkomsten werd behaald met de verhuur van leegstaande leslokalen. Eén van de stichtingen richtte een bv op die zich ging bezighouden met schoonmaakwerkzaamheden, waaronder de schoonmaak van de verhuurde leslokalen.
De drie stichtingen wilden de bv opnemen in de bestaande fiscale eenheid. De inspecteur stond dit niet toe, maar het hof oordeelde anders. Het hof vond namelijk dat er vanwege de schoonmaak van de verhuurde leslokalen sprake was van een gezamenlijk uitgevoerde economische activiteit. Dat de inkomsten hiervan in relatieve zin minimaal waren, deed hier niets aan af. Er geldt namelijk geen minimumomvang voor de gezamenlijke activiteit. De uitbreiding van de fiscale eenheid is dan ook mogelijk als er sprake is van voldoende organisatorische, financiële en economische verwevenheid. Het hof oordeelde dat dit daadwerkelijk het geval was en dat de fiscale eenheid daarom mocht worden uitgebreid met de bv.
Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden, 2-4-2019

Aanpassing box 3-heffing niet eenvoudig

Het systeem van de vermogensrendementsheffing kan alleen zodanig worden aangepast dat op basis van het werkelijke rendement wordt geheven als concessies worden gedaan aan de genoemde uitgangspunten. Ook heeft deze heffingssystematiek verregaande gevolgen voor zowel burgers als de Belastingdienst. Daarom gaat het niet lukken om op korte termijn een nieuw heffingssysteem in te voeren. Wel gaat de staatssecretaris nog meer onderzoek doen. Later dit jaar verwacht hij daar meer over te kunnen zeggen.
Snel noemt in zijn brief aan de Tweede Kamer enkele mogelijke varianten, zoals een vermogensaanwas- of vermogenswinstbelasting, het belasten van het werkelijke spaarrendement, het werken met de heffingsgrondslag van het voorgaande jaar (zodat de kwaliteit van de vooringevulde aangifte behouden blijft) en een verkleining van de groep belastingplichtigen.
Bron: MvF, 15-4-2019

Fors minder pensioen voor vrouwen

Mannen komen gemiddeld uit op een hoger te bereiken pensioen dan vrouwen, namelijk € 13.700 tegen € 9.200. Gemiddeld is het te bereiken pensioen voor mensen van 25 jaar tot de AOW-leeftijd € 11.600 bruto per jaar. Dat blijkt uit de pensioenaansprakenstatistiek van het CBS.
Eind 2016 hadden ruim 8,9 miljoen personen van 25 jaar tot de AOW-leeftijd één of meer aanspraken op levenslang ouderdomspensioen bij een Nederlandse pensioenuitvoerder.
Gemiddeld was eind 2016 het reeds opgebouwde pensioen voor mensen van 25 jaar tot de AOW-leeftijd € 6.000 bruto per jaar, voor mannen € 7.400 en voor vrouwen € 4.400. Dat betekent dat mannen gemiddeld ongeveer 40% meer pensioen hebben opgebouwd dan vrouwen. In de leeftijdsklassen tot 40 jaar is het verschil tussen mannen en vrouwen klein, daarna neemt het toe. In de leeftijdsklasse van 60 jaar tot de AOW-leeftijd, waarbij het gaat om mensen die binnen afzienbare tijd met pensioen zullen gaan, is het verschil 55%. Mannen van 60 jaar en ouder hebben € 14.900 bruto per jaar opgebouwd, vrouwen van 60 jaar en ouder € 6.800.
Bron: CBS, 9-4-2019

Twee vergrijpboeten voor één passiefpost omzetbelasting

Door de ingediende aangifte vennootschapsbelasting is de inspecteur omzetbelasting erachter gekomen dat er nog zo’n € 60.000 omzetbelasting verschuldigd was door een fiscale eenheid. Op 3 januari 2017 verzoekt de inspecteur deze verschuldigde omzetbelasting te specificeren. De fiscale eenheid voldoet in januari 2017 aan dat verzoek en dient later in januari een suppletieaangifte in voor € 60.000. In geschil is of de inspecteur terecht twee vergrijpboeten heeft opgelegd voor het niet suppleren over 2013. Rechtbank Zeeland-West-Brabant vindt het aannemelijk dat al na het opstellen van de jaarcijfers over 2013 is gebleken dat de fiscale eenheid nog omzetbelasting moest bijbetalen. Pas na het verzoek van de inspecteur van 3 januari 2017 heeft de fiscale eenheid gesuppleerd. Dat is niet meer uit eigen beweging en is daarom te laat. Daardoor is sprake van grove onachtzaamheid, waarvoor de inspecteur terecht een vergrijpboete heeft opgelegd. De fiscale eenheid heeft ook ten onrechte voorbelasting van een later in 2013 gevoegde vennootschap in aftrek gebracht. Dit is te kwalificeren als laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. De fiscale eenheid moet begrijpen dat dit gedrag tot gevolg kan hebben dat de fiscale eenheid te weinig omzetbelasting zou afdragen. De inspecteur heeft terecht ook hiervoor een vergrijpboete opgelegd. Geen ne bis in idem, want beboetbare gedragingen zijn niet dezelfde. De ene beboetbare gedraging is het niet uit eigen beweging suppleren en de andere gedraging is het niet of niet tijdig voldoen van omzetbelasting. Wel moet met die twee gezamenlijk op te leggen boetes rekening worden gehouden bij de beoordeling van de strafmaat. Geen verdere matiging meer van de boetes, omdat de inspecteur de totale boetes al had gematigd tot € 10.000.
Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 29-1-2019 (gepubl. 15-4-2019),

Informatieovervloed steeds groter probleem voor werknemers

In 2014 kreeg 25% van de werknemers teveel informatie. Werknemers die een overvloed aan informatie ervaren, zijn ontevredener over hun arbeidsomstandigheden en hebben een sterkere wens om te vertrekken bij hun huidige werkgever.
Het percentage werknemers dat last heeft van informatieovervloed ligt onder hoogopgeleiden bijna drie keer zo hoog als onder laagopgeleiden, 40 tegen 14%. Bij hoogopgeleiden nam het percentage werknemers dat moeite heeft om alle informatie te verwerken, tussen 2014 en 2018 bovendien het meest toe.
Mannen en vrouwen hebben ongeveer even vaak te maken met informatieovervloed: respectievelijk 28 en 29%. Wel zijn er leeftijdsverschillen: 25- tot 65-jarigen hebben er twee tot drie keer zo veel mee te maken als jongere of oudere werknemers.
Managers voeren de ranglijst aan van beroepen die kampen met een overvloed aan informatie. Bijna de helft (46%) zegt tijdens een werkdag vaak of altijd zoveel informatie te krijgen dat dit nauwelijks nog te verwerken is.
Bron: CBS, 11-4-2019

Gemeente kan tijd nemen voor uitspraak WOZ-bezwaar

Een man dient op 19 februari 2015 een bezwaarschrift in tegen zijn WOZ-beschikking over 2015. Normaal gesproken moet een bestuursorgaan binnen zes weken na het verstrijken van de bezwaartermijn beslissen op een ingediend bezwaarschrift. Desnoods kan het bestuursorgaan de beslissing voor hoogstens zes weken verdagen. Maar voor een bezwaarschrift tegen een WOZ-beschikking geldt een afwijkende beslistermijn. De gemeente moet in dat geval uitspraak op een WOZ-bezwaarschrift doen in het jaar waarin zij dit bezwaarschrift ontvangt. Deze regel geldt overigens niet als het bezwaarschrift is ingediend in de laatste zes weken van het kalenderjaar. De gemeente laat de man op 21 december 2015 weten dat zij de termijn voor het doen van haar uitspraak met zes weken verdaagt. De man meent dat de verdagingsmogelijkheid alleen geldt voor de standaardbeslistermijn. Hij stelt daarom de gemeente op 2 januari 2016 in gebreke. De Hoge Raad oordeelt dat deze ingebrekestelling te vroeg is. De afwijkende beslistermijn voor WOZ-bezwaarschriften sluit de mogelijkheid tot verdaging niet uit. Pas als de gemeente na deze verdaging nog geen uitspraak heeft gedaan, kunnen belanghebbenden de gemeente in gebreke stellen en een dwangsom vorderen.
Bron: HR 05-04-2019

Afwijzing stakingsverbod in kort geding

Het bedrijf vordert een verbod op staking door FNV-leden omdat volgens de directie de onderhandelingen over een nieuwe cao nog niet zijn afgerond. Bij de beoordeling van deze zaak betrekt de voorzieningenrechter de stakingsrechtspraak van de Hoge Raad.
Of sprake is van een collectieve actie in de zin van het Europees Sociaal Handvest (ESH) wordt vooral bepaald door het antwoord op de vraag of een actie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Het is aan de organisatoren van een collectieve actie om aannemelijk te maken dat dit het geval is. Als zij daarin slagen, valt de collectieve actie onder het ESH. De uitoefening van het recht op collectief optreden kan dan slechts worden beperkt langs de weg van artikel G ESH, overeenkomstig hetgeen op dat punt is aanvaard in de rechtspraak van de Hoge Raad. Of een collectieve actie van werknemers tijdig tevoren aan de werkgever is aangezegd en of de collectieve actie voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (de zogenaamde ‘spelregel’-toetsing), vormt geen zelfstandige maatstaf om te beoordelen of een collectieve actie rechtmatig is. De naleving van die ‘spelregels’ is dus geen zelfstandige voorwaarde voor die rechtmatigheid.
De voorzieningenrechter is het niet het bedijf eens dat het cao-overleg nog volop gaande is en FNV daarom te vroeg naar het stakingswapen grijpt. Dat er volgens het bedrijf nog geen sprake is van een ‘eindbod’ harerzijds, betekent niet dat de acties niet als ‘ultimum remedium’ kunnen worden beschouwd: de acties hebben ten doel om haar ertoe te bewegen op korte termijn een nieuwe cao af te sluiten.
Bron: Rb. Midden-Nederland (vzr. Utrecht) 24-01-2019 (gepubl. 2-04-2019)

Bestuurder aansprakelijk bij grove schuld vennootschap

Een bestuurder diende in 2011 namens zijn vennootschap uitsluitend nihilaangiften omzetbelasting in. In juni 2012 meldde hij schriftelijk de betalingsonmacht van zijn vennootschap aan de Belastingdienst. In juli 2013 diende de vennootschap een suppletieaangifte omzetbelasting over 2011 in, waarna de fiscus de bestuurder aansprakelijk stelde voor de omzetbelastingschuld.
De rechtbank vond dat de inspecteur had voldaan aan zijn bewijslast dat er sprake was van grove schuld. De bestuurder was aansprakelijk gesteld voor de omzetbelasting over de maand december 2011. De vennootschap had in deze maand één factuur uitgereikt, met daarop een bedrag van € 25.000. Omdat dit zowel in relatieve als in absolute zin een behoorlijk bedrag was, vond de rechtbank dat de bestuurder dit bedrag niet over het hoofd kon hebben gezien. Er was dan ook sprake van grove schuld en hierdoor kon geen sprake zijn van een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht. Daarom oordeelde de rechtbank dat de bestuurder terecht aansprakelijk was gesteld.
Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant, 20-12-2018 (gepubl. 3-4-2019)